Gewei, hoorn of houwers: grof wild in drie families
Het Jachtdecreet noemt vijf soorten grof wild: het edelhert, de ree, het damhert, de moeflon en het wild zwijn. «Grof» zegt hier niets over de maat van het dier. Het is een categorie uit het decreet, en die bevat precies deze vijf.
Het examen houdt ze uit elkaar met drie woorden: gewei, hoorn en houwers. Wie weet bij welke familie een soort hoort, weet meteen wat het dier draagt.
Drie families
| Familie | Soorten | Wat het draagt |
|---|---|---|
| Hertachtigen | edelhert, ree, damhert | een gewei, bijna altijd alleen het mannetje |
| Holhoornigen | moeflon | hoorns |
| Varkensachtigen | wild zwijn | geen gewei en geen hoorn, wel houwers |
De moeflon is dus geen hert. Hij hoort bij dezelfde familie als runderen, geiten en schapen.
Gewei: been, en elk jaar nieuw
Een gewei is van been, heeft vertakkingen en valt elk jaar af, waarna een nieuw aangroeit. Zolang het groeit, zit er een behaarde huid vol bloedvaten rond: de bast. Is het gewei volgroeid, dan sterft de bast af en schuurt het dier hem weg tegen takken en stammen. Dat heet vegen. Het gewei is volgroeid tegen de bronst, de paartijd van de hertachtigen.
Het gewei staat niet los op de schedel. Het groeit op twee benige voetstukken, de rozenstokken. Onderaan elke stang zit een ruwe kraag, de roos. Bij het afwerpen breekt het gewei net onder de roos af: de roos gaat mee, de rozenstok blijft staan.
Hoorn: hoornstof, en voor het leven
Een hoorn is iets heel anders. Hij bestaat uit hoornstof, hetzelfde materiaal als je vingernagels, vertakt niet en valt nooit af. Hij groeit het hele leven verder. Bij de moeflon draagt vooral de ram grote hoorns; bij de ooi zijn ze klein of ontbreken ze.
Houwers: tanden
Het wild zwijn draagt niets op de kop. Wat een keiler, een volwassen mannelijk wild zwijn, als wapen heeft, zijn tanden. Zijn houwers zijn sterk uitgegroeide onderste hoektanden, die voor een groot deel in de onderkaak zitten. De bovenste hoektanden, de aambeelden, schuren ertegen en houden ze scherp. In de jachttaal heten de houwers ook geweren: een woord dat hier dus een tand aanduidt, geen wapen.
De hele toets in één zin
Vertakt en elk jaar afgeworpen is een gewei; blijvend en onvertakt is een hoorn; en het wild zwijn draagt geen van beide, maar houwers in de bek.
Wanneer de jacht op elke soort open is, staat in de jachtkalender.
Op het examen kost een fout antwoord een half punt, en een blanco antwoord niets.
Oefen verder met de gratis test