Gratis test

Gewei, hoorn of houwers: grof wild in drie families

Vak 2 · Fauna± 2 min lezenNagekeken september 2026

Het Jachtdecreet noemt vijf soorten grof wild: het edelhert, de ree, het damhert, de moeflon en het wild zwijn. «Grof» zegt hier niets over de maat van het dier. Het is een categorie uit het decreet, en die bevat precies deze vijf.

Het examen houdt ze uit elkaar met drie woorden: gewei, hoorn en houwers. Wie weet bij welke familie een soort hoort, weet meteen wat het dier draagt.

Drie families

Familie Soorten Wat het draagt
Hertachtigen edelhert, ree, damhert een gewei, bijna altijd alleen het mannetje
Holhoornigen moeflon hoorns
Varkensachtigen wild zwijn geen gewei en geen hoorn, wel houwers

De moeflon is dus geen hert. Hij hoort bij dezelfde familie als runderen, geiten en schapen.

Gewei: been, en elk jaar nieuw

Een gewei is van been, heeft vertakkingen en valt elk jaar af, waarna een nieuw aangroeit. Zolang het groeit, zit er een behaarde huid vol bloedvaten rond: de bast. Is het gewei volgroeid, dan sterft de bast af en schuurt het dier hem weg tegen takken en stammen. Dat heet vegen. Het gewei is volgroeid tegen de bronst, de paartijd van de hertachtigen.

Het gewei staat niet los op de schedel. Het groeit op twee benige voetstukken, de rozenstokken. Onderaan elke stang zit een ruwe kraag, de roos. Bij het afwerpen breekt het gewei net onder de roos af: de roos gaat mee, de rozenstok blijft staan.

Hoorn: hoornstof, en voor het leven

Een hoorn is iets heel anders. Hij bestaat uit hoornstof, hetzelfde materiaal als je vingernagels, vertakt niet en valt nooit af. Hij groeit het hele leven verder. Bij de moeflon draagt vooral de ram grote hoorns; bij de ooi zijn ze klein of ontbreken ze.

Houwers: tanden

Het wild zwijn draagt niets op de kop. Wat een keiler, een volwassen mannelijk wild zwijn, als wapen heeft, zijn tanden. Zijn houwers zijn sterk uitgegroeide onderste hoektanden, die voor een groot deel in de onderkaak zitten. De bovenste hoektanden, de aambeelden, schuren ertegen en houden ze scherp. In de jachttaal heten de houwers ook geweren: een woord dat hier dus een tand aanduidt, geen wapen.

De hele toets in één zin

Vertakt en elk jaar afgeworpen is een gewei; blijvend en onvertakt is een hoorn; en het wild zwijn draagt geen van beide, maar houwers in de bek.

Wanneer de jacht op elke soort open is, staat in de jachtkalender.

Test jezelf3 vragen
Op een gevonden schedel van grof wild zit een blijvend, onvertakt hoorntje dat nooit is afgeworpen, in plaats van een gewei. Tot welke soort behoort deze schedel vermoedelijk?

Toon het antwoord

Juist: B — De moeflon, de enige holhoornige onder ons grof wild

De moeflon is een holhoornige (Bovidae); deze familie kenmerkt zich net door het bezit van een echte, blijvende en onvertakte hoorn, in tegenstelling tot alle andere herkauwers, en die hoorn wordt dus nooit afgeworpen. Optie a spreekt over het gewei van de ree en optie c over het gewei van het damhert: een gewei is, in tegenstelling tot een hoorn, niet permanent. Het onderscheidende kenmerk hier is dus niet de vertakking maar het feit dat het nooit wordt afgeworpen.

Op welke plaats breekt het gewei van een edelhert af wanneer het dier het afwerpt?

Toon het antwoord

Juist: A — net onder de rozenkrans, boven op de rozenstok

Bij het afwerpen laat de stang los net onder de rozenkrans — de ruwe kraag die onderaan de stang vlak boven de rozenstok zit — en het litteken dat daar achterblijft, heet de zegel. De stang valt dus af samen met die kraag, terwijl het benige voetstuk op de schedel gewoon blijft staan; die rozenstok verdwijnt nooit en wordt met de jaren korter en dikker. Antwoord b legt de breuk boven de rozenkrans, terwijl het gewei juist onder die kraag afbreekt. Antwoord c laat het gewei onderaan de rozenstok afbreken, maar die rozenstok is een benig uitsteeksel van het voorhoofdsbeen dat op de kop blijft staan; enkel de stang valt af.

Welke uitspraak over het gewei van het vrouwelijke edelhert (de hinde) is juist?

Toon het antwoord

Juist: A — Zij zet op geen enkele leeftijd een gewei op: bij het edelhert doet alleen het mannelijke dier dat.

Bij het edelhert is het gewei uitsluitend een kenmerk van het mannelijke dier: het hert zet er een op, de hinde niet, en dat geldt voor elke leeftijd die zij bereikt. Daarom hoort zij samen met de kalveren bij het kaalwild, het wild zonder gewei, en verdedigt zij zich met haar voorlopers in plaats van met een gewei. Binnen ons grof wild is de moeflon de enige soort waarvan ook het vrouwelijke dier iets op de kop kan hebben, en dan gaat het niet om een gewei maar om hoorns, die bij de ooi klein zijn of helemaal ontbreken. Antwoord b is fout: van een jaarlijks, kleiner gewei bij de hinde is geen sprake, want zij draagt er geen enkel. Antwoord c is op twee punten fout: er is geen leeftijd waarop zij er een opzet, en een gewei is juist het orgaan dat bij de hertachtigen elk jaar afvalt en opnieuw aangroeit; blijvende, onvertakte hoorns horen bij de holhoornigen, de familie waartoe de moeflon behoort.

Op het examen kost een fout antwoord een half punt, en een blanco antwoord niets.

Oefen verder met de gratis test