Zes uilen, drie kenmerken: sluier, oorpluimen en oogkleur
Uilen staan niet op de lijst van wild in het Jachtdecreet, maar het examen vraagt wel dat je ze herkent: alle soorten uilen staan als open groep in het examenprogramma. Wie een vogel niet kan benoemen, kan ook niet weten of hij erop mag schieten.
Je hoeft niet elke veer te kennen. Kijk naar drie dingen:
- de sluier: de platte krans van veren rond de ogen, die het geluid naar de oren leidt;
- de oorpluimen: bosjes veren op de kop. Het zijn géén oren;
- de kleur van de ogen.
De zes
Kerkuil. De enige uil met een hartvormige, witte sluier, en met zwarte ogen. Die twee samen heeft geen andere uil bij ons. Hij jaagt ’s nachts boven open veld en slaapt overdag in schuren en kerktorens.
Bosuil. Stevig en rond van silhouet, zonder oorpluimen, met donkerbruine ogen in een vrij vlakke sluier. Er is een roodbruine en een grijsbruine vorm.
Ransuil. Slanker dan de bosuil, met twee lange oorpluimen die vaak rechtop staan, en oranjegele ogen.
Velduil. Lijkt op de ransuil, maar de oorpluimen zijn zo kort dat je ze nauwelijks ziet, en de ogen zijn zwavelgeel. Ze is ook overdag actief en jaagt laag boven open terrein.
Steenuil. Klein en gedrongen, met een platte kop, gele ogen en witte, gefronste «wenkbrauwen» die hem een strenge blik geven. Van alle uilen is hij het meest bij daglicht actief.
Ruigpootuil. Ongeveer zo groot als de steenuil, maar met een rondere kop, gele ogen in een lichte sluier, een witte V boven de snavel en bevederde poten, waaraan hij zijn naam dankt.
Ezelsbrug
- Hartvormig en zwarte ogen: kerkuil.
- Geen oorpluimen en donkere ogen: bosuil.
- Lange oorpluimen en oranje ogen: ransuil; bijna geen oorpluimen en zwavelgele ogen: velduil.
- Klein, gele ogen: steenuil (platte kop, witte wenkbrauwen) of ruigpootuil (ronde kop, bevederde poten).
Op het examen kost een fout antwoord een half punt, en een blanco antwoord niets.
Oefen verder met de gratis test