Sporen lezen: wild zwijn, edelhert, ree, vos of marter?
Wie het wild zelf niet ziet, ziet vaak wel wat het achterlaat. Het examen vraagt twee soorten sporen: de prent, de afdruk van een poot in de bodem, en de sporen op planten en bomen.
Wild zwijn of edelhert: kijk naar de bijklauwen
Beide dieren zetten twee klauwen neer. Achter die klauwen zitten aan elke poot nog twee kleine teentjes: de bijklauwen.
- Bij het wild zwijn staan de bijklauwen bijna altijd mee in de prent, en ze staan breder dan de twee klauwen zelf.
- Bij het edelhert raken de bijklauwen bij een gewone gang de bodem niet.
Zie je naast de twee klauwafdrukken nog twee kleine indrukken die breder staan, dan liep daar een wild zwijn.
Vos of marter: tel de tenen
- Bij boommarter en steenmarter drukt elke poot vijf tenen met klauw af.
- De vos heeft aan zijn voorpoot ook vijf tenen, maar de vijfde staat hoger en raakt de grond niet, en zijn achterpoot heeft er vier. Een vossenspoor toont dus nooit meer dan vier tenen met klauw.
Vijf duidelijke klauwafdrukken wijzen dus op een marterachtige. Van de twee marters is de steenmarter het makkelijkst te lezen: in het winterkleed blijft de beharing tussen zijn voetkussentjes schaars, terwijl ze bij de boommarter de kussentjes verbergt.
De das loopt op zijn hele zool. Zijn prent toont de brede zool en vijf afzonderlijke teen- en klauwafdrukken.
Het vossenspoor verwar je het vaakst met dat van een hond. Bij de vos staan de tenen verder van de voetzool, heeft de zool een streepvormige eeltverdikking, en is de afdruk iets minder scherp door het haar tussen de tenen.
Sporen op planten en bomen
- Geschilde bast: brede repen bast weggetrokken van een stam in stangenhout, over een groot oppervlak en tot ver boven manshoogte. Dat is het typische beeld van het edelhert. Ook de moeflon schilt; de ree niet.
- Geveegde stam: een jong, alleenstaand stammetje waarvan de bast laag bij de grond in rafels loshangt. Een reebok die zijn bast kwijt wil en zijn gebied merkt. Vaak ligt er een kale plek grond naast, waar hij met zijn voorpoten krabde.
- Verbeten scheut: de knop aan de top van een jong boompje is afgebeten, zodat het krom en in de breedte verder groeit. Het werk van de ree, die overal een hapje neemt.
- Omgewoeld grasland in het voorjaar: aan het einde van de winter trekken wilde zwijnen van het bos naar het grasland, waar ze met hun wroetschijf naar larven en wortels zoeken. Een rotte kan zo in korte tijd een heel perceel omwoelen.
Op het examen kost een fout antwoord een half punt, en een blanco antwoord niets.
Oefen verder met de gratis test