Gratis test

Sporen lezen: wild zwijn, edelhert, ree, vos of marter?

Vak 2 · Fauna± 2 min lezenNagekeken september 2026

Wie het wild zelf niet ziet, ziet vaak wel wat het achterlaat. Het examen vraagt twee soorten sporen: de prent, de afdruk van een poot in de bodem, en de sporen op planten en bomen.

Wild zwijn of edelhert: kijk naar de bijklauwen

Beide dieren zetten twee klauwen neer. Achter die klauwen zitten aan elke poot nog twee kleine teentjes: de bijklauwen.

  • Bij het wild zwijn staan de bijklauwen bijna altijd mee in de prent, en ze staan breder dan de twee klauwen zelf.
  • Bij het edelhert raken de bijklauwen bij een gewone gang de bodem niet.

Zie je naast de twee klauwafdrukken nog twee kleine indrukken die breder staan, dan liep daar een wild zwijn.

Vos of marter: tel de tenen

  • Bij boommarter en steenmarter drukt elke poot vijf tenen met klauw af.
  • De vos heeft aan zijn voorpoot ook vijf tenen, maar de vijfde staat hoger en raakt de grond niet, en zijn achterpoot heeft er vier. Een vossenspoor toont dus nooit meer dan vier tenen met klauw.

Vijf duidelijke klauwafdrukken wijzen dus op een marterachtige. Van de twee marters is de steenmarter het makkelijkst te lezen: in het winterkleed blijft de beharing tussen zijn voetkussentjes schaars, terwijl ze bij de boommarter de kussentjes verbergt.

De das loopt op zijn hele zool. Zijn prent toont de brede zool en vijf afzonderlijke teen- en klauwafdrukken.

Het vossenspoor verwar je het vaakst met dat van een hond. Bij de vos staan de tenen verder van de voetzool, heeft de zool een streepvormige eeltverdikking, en is de afdruk iets minder scherp door het haar tussen de tenen.

Sporen op planten en bomen

  • Geschilde bast: brede repen bast weggetrokken van een stam in stangenhout, over een groot oppervlak en tot ver boven manshoogte. Dat is het typische beeld van het edelhert. Ook de moeflon schilt; de ree niet.
  • Geveegde stam: een jong, alleenstaand stammetje waarvan de bast laag bij de grond in rafels loshangt. Een reebok die zijn bast kwijt wil en zijn gebied merkt. Vaak ligt er een kale plek grond naast, waar hij met zijn voorpoten krabde.
  • Verbeten scheut: de knop aan de top van een jong boompje is afgebeten, zodat het krom en in de breedte verder groeit. Het werk van de ree, die overal een hapje neemt.
  • Omgewoeld grasland in het voorjaar: aan het einde van de winter trekken wilde zwijnen van het bos naar het grasland, waar ze met hun wroetschijf naar larven en wortels zoeken. Een rotte kan zo in korte tijd een heel perceel omwoelen.
Test jezelf3 vragen
In een stangenhoutbestand vindt u een stam waarvan over een groot oppervlak brede repen bast zijn weggehaald, hoger dan een ree kan reiken. Welke wildsoort laat dit schadebeeld na?

Toon het antwoord

Juist: C — het edelhert

Antwoord c. Bij het edelhert is het schillen van bast het typische schadebeeld: in winter of zomer trekt het in stangenhout brede repen bast van de stam los, over een groot oppervlak en op ongeveer de schouderhoogte van het hert. Een geschilde stam op die hoogte wijst dus niet op de ree, want die kan er niet bij. Antwoord b, de ree, past niet bij dit beeld: zij schilt niet, haar beelden zijn vegen op lage hoogte en grondkrabsel, en aan de schoft meet zij maar ongeveer 70 cm. Antwoord a, het everzwijn, past er evenmin bij: het richt zijn schade vooral aan door te wroeten, met de snuit de bodem omwoelen op zoek naar voedsel. Zijn schade ligt dus aan de grond, in gewassen en grasland, en niet als weggehaalde bast hoog op een boom.

U onderzoekt in de winter de poten van een dode marter. Welk kenmerk wijst dan op een steenmarter en niet op een boommarter?

Toon het antwoord

Juist: C — Bij de steenmarter is de beharing van de voetzolen schaars, zodat de kussentjes ook in de winter zichtbaar blijven.

De voetzolen van de steenmarter dragen zo weinig haar dat u de kussentjes ook in het winterkleed gewoon ziet liggen; daardoor laat de soort in zachte grond of sneeuw een prent na die makkelijk te lezen is. Bij de boommarter is het beeld precies omgekeerd: zijn voetzolen zijn in de winter sterk behaard, zodat het haar de kussentjes aan het oog onttrekt. Antwoord a beschrijft daarom de boommarter en niet de steenmarter: dicht behaarde zolen met verborgen kussentjes horen bij de eerste soort. Antwoord b geeft de steenmarter vier tenen met klauw per poot, terwijl beide martersoorten er 5 tenen met klauw afdrukken.

In welk jaargetijde wordt het typische schadebeeld van omgewoeld grasland vastgesteld?

Toon het antwoord

Juist: C — in het voorjaar

Tegen het einde van de winter is er in het bos niets meer te eten; de zwijnen gaan dan op het grasland eromheen met hun wroetschijf op zoek naar insecten, engerlingen (larven van kevers) en poppen. Omdat ze in een rotte leven, kan een groep in korte tijd een heel perceel omwoelen. Daarom is omgewoeld grasland in het voorjaar het beeld waaraan u het wild zwijn het eerst herkent. Antwoord a is niet juist: in de zomer zoekt het zwijn zijn voedsel op de akker, waar tarwe half juni melkrijp wordt en maïs in augustus. Antwoord b is niet juist: in mastjaren van beuk en eik blijft het zwijn in herfst en winter in het bos en komt het daar nog maar zelden op de akkers.

Op het examen kost een fout antwoord een half punt, en een blanco antwoord niets.

Oefen verder met de gratis test